Politieke hygiëne en democratie

ACTIEPLAN VOOR HET VERSTERKEN VAN DE DEMOCRATIE EN DE POLITIEKE HYGIËNE
naar aanleiding van de Vlaamse verkiezingen van 2009

 

In vogelvlucht:

1. De organisatie van de gewestelijke verkiezingen moet door de gewesten gebeuren.

2. Ook partijen die nog niet in het parlement zitten en deelnemen aan verkiezingen, kunnen over een beperkte campagnedotatie beschikken, mits ze aan bepaalde voorwaarden voldoen.

3. Wanneer verschillende verkiezingen op één datum samen vallen, kan men slechts op één lijst kandideren.

4. Om schijnkandidaturen te vermijden, geldt de regel dat wie verkozen wordt automatisch zijn bestaande mandaat in een ander parlement verliest.

5. Kandidaten voor een bepaalde kieskring moeten ook effectief in die kieskring wonen.

6. De stemplicht wordt afgeschaft en vervangen door stemrecht.

7. Ook niet-Belgen die aan bepaalde voorwaarden voldoen, kunnen meestemmen.

8. De kiesgerechtigde leeftijd wordt verlaagd naar 16 jaar.

9. De zetelverdeling gebeurt niet langer volgens het systeem D'Hondt, maar volgens het Hare-quotum, dat steunt op evenredige verdeling.

10. De kiesdrempel wordt afgeschaft en de provinciale zetelverdeling gebeurt op gewestelijk niveau via het systeem van lijstverbinding.

11. Ook tussen diverse partijen wordt lijstverbinding mogelijk, zodat stemmen voor kleine partijen toch niet verloren gaan.

12. De pot verdwijnt, waardoor niet de partijen maar wel de kiezer bepaalt wie verkozen wordt.

13. De aparte opvolgerslijst verdwijnt eveneens. De niet-verkozen kandidaat met de meeste stemmen wordt automatisch eerste opvolger.

14. De beoordeling van de geldigheid van de kiesverrichtingen, het onderzoek van de geloofsbrieven, de controle van de verkiezingsuitgaven, en de controle van de regeringsmededelingen, gebeurt niet langer door het parlement zelf, maar door onafhankelijke instanties.

15. Fractievorming in het Vlaams Parlement is reeds mogelijk vanaf één parlementszetel.

16. Er wordt een cumulverbod ingevoerd tussen de functie van volksvertegenwoordiger en schepen of burgemeester.

17. De Minister-President legt niet langer de eed af in handen van de koning en een regeringslid hoeft geen trouw meer te zweren aan de Koning.

18. Parlementsleden die minister worden, blijven in het parlement zetelen.

1. De organisatie van de verkiezingen gebeurt door de gewesten

De situatie vandaag is dat de gewesten verantwoordelijk zijn voor de organisatie van de verkiezingen voor gemeente- en provincieraad, maar niet voor die van gemeenschappen of gewest. Al hebben ze daar wel een beperkte bevoegdheid, bijvoorbeeld voor het vastleggen van de kieskringen. Het zou evenwel logischer zijn indien de ganse bevoegdheid hiervoor aan de gewesten zou worden overgedragen.

 

2. Campagnefinanciering voor nieuwe partijen

Politieke partijen zijn sinds enkele jaren beperkt inzake hun mogelijke financiële bronnen, om mogelijke omkoping en smeergelden te vermijden. Zo kunnen alleen nog natuurlijke personen een gift doen en dat beperkt tot 500 euro per donor per jaar. Om het verlies aan inkomsten te compenseren werden tal van officiële financieringskanalen opgericht. Zo is er een federale dotatie, die neerkomt op een forfaitair bedrag van 125.000 euro en een aanvullend bedrag van 1,25 euro per geldig uitgebrachte stem. Er is ook een te indexeren Vlaamse aanvullende financiering van 61.973,38 euro forfaitair en 1,49 euro per geldige stem, goed voor bijna 7,7 miljoen euro per jaar. Een partij met 500.000 stemmen (wat neerkomt op zo'n 12% van het electoraat) haalt dus alleen al uit deze twee financieringsbronnen per jaar meer dan 1,5 miljoen euro op.

Aan deze financiering zijn echter voorwaarden verbonden. Zo kan je enkel op een federale dotatie rekenen indien je in minstens één van de Kamers een vertegenwoordiger hebt. In Vlaanderen is de voorwaarde nog strenger: men moet er immers over een fractie van minstens vijf volksvertegenwoordigers beschikken. Hierdoor wordt het geld (dus voorbehouden aan de (grote) reeds bestaande partijen. Nieuwe partijen, die nog geen vertegenwoordiger in een parlement hebben, kunnen geen beroep doen op deze middelen voor hun campagnes. Dit bezorgt hen een enorme handicap. Zij kunnen financieel onmogelijk opboksen tegen de dik gefinancierde campagnes van de bestaande partijen.

Om dit te vermijden zou men een dotatie kunnen voorzien voor elke partij die op geldige wijze een lijst indient. Het huidige criterium hiervoor is over de handtekeningen beschikken van ofwel twee uittredende volksvertegenwoordigers, ofwel van 500 kiezers per kieskring. Maar men kan ook een zwaarder criterium hanteren, bijvoorbeeld per kieskring 2.000 handtekeningen van kiezers verzamelen. Het bedrag van de dotatie kan bijvoorbeeld gelijkgesteld worden met de basisdotatie voor het Vlaams Parlement, met name 61.973,38 euro. Om geen extra middelen aan te spreken, kan men de dotatie van de andere, bestaande partijen evenredig verminderen.

 

3. Afschaffen van de dubbele kandidaatstelling

Bij gelijkvallende verkiezingen gebeurt het dat mensen kandidaat zijn voor meerdere assemblees. Dit zorgt ervoor dat steeds dezelfde kopstukken in de campagnes opduiken, dat de campagnes voor deze assemblees verstrengeld geraken, en dat de kiezer niet weet welk gevolg zijn stem zal hebben.

Om dit te vermijden moet het onmogelijk worden dat een kandidaat bij gelijkvallende verkiezingen voor meerdere assemblees kandideert.

Dit vereist een aanpassing van de BWHI.
4. Een verkozene verliest automatisch zijn mandaat in een ander parlement

De lijsten worden vaak bevolkt door topkandidaten die uit een ander assemblee komen, maar na een eventuele verkiezing zullen verzaken aan hun mandaat en in hun huidig assemblee blijven zetelen.

Het zou voor het transparant verloop van de verkiezingen dus beter zijn dat een verkozene die reeds in een ander parlement zetelt, automatisch dat mandaat verliest. Een overstap van het ene naar het andere parlement blijft zo perfect mogelijk, maar schijnkandidaturen worden vermeden.

 

5. Kandidaten moeten in de kieskring wonen

Om te kandideren voor de gewestverkiezingen volstaat het dat je ingeschreven bent in de bevolkingsregisters van een gemeente van het Gewest. Daardoor kan pakweg een kandidaat uit Kortrijk kandideren in de kieskring Limburg. Dit gaat natuurlijk voorbij aan de logica van provinciale kieskringen, waarbij elke provincie zijn vertegenwoordigers naar het parlement kan sturen.

Hiervoor is een aanpassing van de BWHI nodig.

 

6. Stemrecht in plaats van stemplicht

In België geldt voor elke verkiezing van een assemblee de stemplicht. In de praktijk is dit een opkomstplicht, omdat door het stemgeheim niet kan nagegaan worden of iemand effectief een stem uitbrengt. De realiteit toont aan dat die stemplicht zeer relatief is: in 2007 zagen we bijvoorbeeld dat van de 7,72 miljoen stemgerechtigde Belgen er slechts 7,03 miljoen zijn komen stemmen, en slechts 6,67 miljoen brachten een geldige stem uit. M.a.w. bijna 1 op 10 kwam niet opdagen, en slechts 6 op 7 Belgen bracht echt een stem voor een politieke partij uit.

Uit onderzoek van ISPO blijkt daarenboven dat zo'n 30% van het electoraat enkel een stem uitbrengt omdat dit moet, en daar dan vaak een antistem van maakt. Stemplicht heeft dus wel de schijn mee van maximale betrokkenheid van het electoraat, maar in de praktijk wordt die plicht al te vaak genegeerd of ondoordacht uitgevoerd.

Het is daarom beter om de kiezer zelf te laten oordelen of hij een stem wenst uit te brengen. De overheid hoeft dit niet in zijn plaats te beslissen. De vervanging van de stemplicht door stemrecht zal de politieke partijen ook stimuleren om de mensen warm te maken voor de politiek en voor het stemproces. Door mensen te verplichten om te gaan stemmen, kies je daarentegen voor de gemakkelijkheidoplossing. Het verhoogt niet automatisch de betrokkenheid van de burger, het irriteert veeleer zij die niet geïnteresseerd zijn met eventuele antistemmen als gevolg.

 

7. Stemrecht voor allochtonen

In 2006 konden niet-EU-burgers die aan een aantal voorwaarden voldoen voor het eerst meestemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen. Daar waren diverse goeie argumenten voor, zoals de betrokkenheid van deze groep bij de politiek, en het "no taxation without representation"-principe.

Vanuit democratisch oogpunt is het niet meer dan logisch dat mensen die reeds meerdere jaren wettelijk op het grondgebied verblijven, hier deelnemen aan het sociaal en economisch leven, en hier ook belast worden, zich kunnen uitspreken over het gevoerde beleid en de aanwending van het belastinggeld. En dat dus niet enkel voor de gemeenteraadsverkiezingen, maar ook voor de regionale stembusgang.

 

8. Verlagen van de kiesgerechtigde leeftijd naar 16 jaar

Om vandaag te kunnen stemmen dient men meerderjarig te zijn, m.a.w. ouder dan 18 jaar. Deze situatie gaat voorbij aan het feit dat jongeren steeds sneller volwassen worden, zich sneller een eigen mening weten te vormen en een duidelijke plaats opeisen in de samenleving. Het is dan ook van belang dat hun stem gehoord wordt.

Net als in Oostenrijk zou dus ook hier de kiesgerechtigde leeftijd moeten verlagen naar 16 jaar.

 

9. Afschaffen van het systeem D'Hondt

Bij het systeem D'Hondt gebeurt de zetelverdeling volgens een methode die de grote partijen licht bevoordeelt. Daardoor is niet elke stem evenveel waard. Een eerlijker manier is simpelweg een verdeling volgens de Hare-quota, waarbij de restzetels verdeeld worden volgens de methode van de grootste resten.

Concreet werkt dit als volgt: per kieskring wordt het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen gedeeld door het totaal aantal te verdelen zetels. Dit levert het Hare-quotum op. Die wordt vervolgens als deler gebruikt voor de respectieve stemcijfers van de partijen. Alle cijfers voor de komma van het aldus bereikte quotiënt geven het aantal zetels weer dat een partij in een eerste fase behaalt. De resterende zetels worden verdeeld op basis van de grootste resten (i.e. de grootste cijfers achter de komma). De op deze wijze toegekende restzetels plus de zetels toegekend in de eerste fase leveren samen de uiteindelijke zetelverdeling tussen de partijen op.

 

10. Afschaffen van de kiesdrempels

Voor de verkiezingen van de gewestelijke parlementen geldt een kiesdrempel van vijf procent. Dit maakt het kleine en nieuwe partijen moeilijk om in het parlement vertegenwoordigd te geraken. Er zijn nog landen in Europa met een kiesdrempel, maar ook landen zonder. In Nederland ben je bijvoorbeeld zeker van een zetel bij een score van 0,667 procent.

Bij afschaffing van de huidige kiesdrempel komt er in elke provincie wel een feitelijke kiesdrempel op basis van het totale aantal te verdelen zetels. Vanaf volgende score ben je in elke provincie zeker van een zetel: Antwerpen 2,95%, Brussel 14,29%, Limburg 5,89%, Oost-Vlaanderen 3,58%, Vlaams-Brabant 4,77% en West-Vlaanderen 4,35%.

Om de kiesdrempel nog verder weg te werken, kan men een systeem van lijstverbinding tussen de provincies mogelijk maken. Een mogelijke berekeningswijze is dan de volgende:

In een eerste fase worden per provincie de rechtstreeks behaalde zetels verdeeld volgens het Hare-quotum (zie hierboven).

In een tweede fase wordt op gewestelijk niveau het aantal zetels per partij bepaald volgens het Hare-quotum, waarbij de restzetels worden toegewezen op basis van de grootste resten.

Na deze twee fasen weet je dus hoeveel zetels er nog per provincie moeten worden toegewezen (te verdelen zetels - rechtstreeks toegewezen zetels in fase 1), en hoeveel zetels er nog per partij moeten worden toegewezen (score in fase 2 - totaal rechtstreeks toegewezen zetels in fase 1)

In een derde fase worden de restzetels uit fase 1 verdeeld. Dit gebeurt door de diverse provinciale resten te rangschikken van groot naar klein. De grootste krijgt de eerste restzetel, de tweede grootste de tweede restzetel, enzovoort. Wanneer het totale aantal zetels voor een provincie wordt bereikt, of wanneer het totale aantal zetels voor een partij wordt bereikt, kunnen aan die partij of provincie logischerwijs geen zetels meer worden toegewezen.

Bijvoorbeeld: in Schemerland dingen drie partijen (P1, P2 en P3) in twee provincies naar de gunst van de kiezer. In Oost-Provincie zijn 10.000 stemmen uitgebracht en 5 zetels te verdelen, in West-Provincie 13.200 stemmen voor 6 zetels. De drie partijen halen volgende score

Partijen Oost-Provincie West-Provincie Totaal
P1 6.900 6.500 13.400
P2 2.000 3.000 5.000
P3 1.100 3.700 4.800
totaal 10.000 13.200 23.200

In fase 1 worden per provincie de rechtstreekse zetels verdeeld volgens het Hare-quotum (Q). Dat bedraagt 2.000 in Oost-Provincie (10.000/5) en 2.200 in West-Provincie (13.200/6). Wanneer je de stemcijfers deelt door Q bekom je een getal. Het cijfer voor de komma bepaalt het aantal rechtstreekse zetels. In dit geval:


Partijen Oost-Provincie Rechtstreekse zetels West-Provincie Rechtstreekse zetels Totaal reeds verdeeld
P1 3,45 3 2,95 2 5
P2 1,00 1 1,36 1 2
P3 0,55 0 1,68 1 1
totaal 4 4 8
restzetels 5 - 4 = 1 6 - 4 = 2 3

In fase 2 wordt op gewestelijk vlak het totale aantal zetels per partij verdeeld. Q bedraagt 2.109,09 (23.200/11). Hieronder staat een weergave van de verdeling, met toewijzing van de restzetels volgens de grootste resten. We merken dat er 10 zetels rechtstreeks worden toegewezen, zodat er nog één restzetel is. Die gaat naar P2.

 

 

Partijen Gewest Rechtstreekse zetels restzetel Totaal per partij Verschil met totalen uit fase 1
P1 6,35 6 6 1
P2 2,37 2 1 3 1
P3 2,27 2 2 1
totaal 10 1 11 3

Uit fase 1 weten we dus dat de Oost-Provincie nog 1 restzetel moest toewijzen en de West-Provincie nog 2. Uit fase 2 weten we dat elke partij nog recht heeft op 1 provinciale restzetel.

In fase 3 worden die restzetels verdeeld door de provinciale resten te rangschikken van groot naar klein. De eerste restzetel komt zo toe aan P1 in West-Provincie (x,95). P1 komt zo aan zijn totale aantal van 6 zetels en komt verder niet meer in aanmerking. De tweede restzetel gaat naar P3 in West-Provincie (x,68). Ook P3 heeft zijn totale aantal nu bereikt. Bovendien zijn er in West-Provincie geen restzetels meer te verdelen. De derde restzetel gaat daardoor naar P2 in Oost-Provincie.

Dit systeem oogt misschien wat ingewikkeld, maar is zeker niet ingewikkelder dan het huidige systeem dat bijvoorbeeld voor de verkiezing van de Kamer wordt gehanteerd (systeem D'Hondt met lijstverbindingen tussen Leuven en BHV).

Indien we de uitslag voor de Vlaamse verkiezingen van 2004 bekijken en herberekenen volgens de Hare-quota, respectievelijk met en zonder lijstverbinding, dan bekomen we volgende zetelverdeling:

Volgens oude systeem, met kiesdrempel Volgens Hare-quota zonder lijstverbinding, zonder kiesdrempel Volgens Hare-quota met lijstverbinding, zonder kiesdrempel
VLD-Vivant 25 25 25
Sp.a-spirit 25 25 25
CD&V/N-VA 35 31 32
Groen! 6 12 10
Vlaams Blok 32 30 30
Pvda+ 0 0 1
UF 1 1 1

Bemerk dat de verschillen zich in de uitersten bevinden, namelijk bij de grootste en kleinste partijen. Vanuit puur democratisch oogpunt is de laatste methode het zuiverst en eerlijkst. Het laat immers Pvda+ toe om met haar gemiddelde score van 0,56% (22.874 stemmen) toch een zetel binnen te halen.

 

11. Lijstverbindingen tussen partijen mogelijk maken

De voorbije jaren zagen diverse kartellijsten het levenslicht. De grote kritiek op deze lijsten, was de onduidelijkheid voor de kiezer. Die kon immers moeilijk een duidelijk onderscheid laten blijken voor één van de kartelpartijen. Een stem voor de ene partij kan immers een zetel opleveren voor de andere partij, zeker via het systeem van potstem en opvolging. De pleitbezorgers van kartellijsten wezen echter op het belang van samenwerking, het bundelen van krachten en het vermijden dat reststemmen verloren gaan.

Een oplossing is dan om lijstverbindingen tussen partijen mogelijk te maken. Daarbij worden de reststemmen van de verbonden partijen samengeteld. Wanneer dit voldoende is voor een extra zetel, gaat die zetel naar de partij die het hoogste aantal reststemmen heeft aangebracht. Een dergelijk systeem bestaat onder meer in Nederland en wordt er veelvuldig toegepast. Maar ook in ons land bestaat het reeds, met name voor de Brusselse verkiezingen waarbij partijen in een zelfde taalgroep een pool kunnen vormen.

Het heeft het voordeel van de duidelijkheid: je geeft een specifieke voorkeur voor een bepaalde partij te kennen. En je weet op voorhand wat er met je reststem gebeurt. Maar het zorgt er ook voor dat een stem niet verloren gaat, dat er een veelheid aan partijen en ideologische stromingen mogelijk is zonder dat dit een bepaalde vleugel (links/rechts, progressief/conservatief) hoeft te verzwakken.

 

12. Afschaffen van de potstem

Wie vandaag geen voorkeurstem uitbrengt, ziet zijn stem in een pot verdwijnen die daarna wordt uitgestrooid over de kandidaten die bovenaan de lijst staan. Op die manier krijgen deze kandidaten een stemmeninjectie die hen vaak een onoverkomelijke voorsprong oplevert in vergelijking met andere kandidaten op de lijst. Slechts uitzonderlijk slaagt een kandidaat er daardoor in om de volgorde van de lijst te doorbreken. Die volgorde wordt bepaald door de politieke partijen. Het zijn aldus in belangrijke mate de partijhoofdkwartieren die kiezen wie naar het parlement gaat, en niet de kiezer.

Enkele jaren terug werd de impact van de potstem reeds gehalveerd, maar in 2004 hadden nog steeds 14 kandidaten (op 124, of 11,3%) hun verkiezing te danken aan die potstem. Democratischer zou zijn om die helemaal af te schaffen, en de kiezer de volheid van zijn stem te geven.

 

13. Afschaffen van het systeem van opvolgers

Om tal van redenen kan het gebeuren dat een verkozen kandidaat aan zijn mandaat verzaakt, niet zelden nog voor het mandaat opgenomen wordt (bvb omdat de verkozene in een ander assemblee wil blijven zetelen of omdat hij nooit de intentie had om te zetelen). In dat geval komt er een opvolger in zijn plaats. Deze opvolgers worden geplukt van een opvolgerslijst die aan de kiezer werd voorgelegd, maar waar de kiezer kennelijk weinig aandacht voor heeft, getuige het geringe aantal voorkeurstemmen die op een kandidaat-opvolger worden uitgebracht. Dit vertroebelt het democratisch keuzerecht van de kiezer, en biedt alweer een hefboom aan de partijen om zelf de samenstelling van het parlement te sturen.

In het huidig Vlaams Parlement zetelen niet minder dan 44 parlementsleden (of 35,5%) dankzij opvolging. Daarom kan de aparte opvolgerslijst beter afgeschaft worden. Een systeem van opvolging zoals dit bestaat voor de gemeenteraden is beter. Hierbij gaat de eerste opvolgersplaats naar de kandidaat die net niet verkozen was.

 

14. Beoordeling geldigheid kiesverrichtingen, onderzoek geloofsbrieven, controle verkiezingsuitgaven, controle regeringsmededelingen niet door parlement zelf

Na afloop van de verkiezingen dient het goede verloop van de stembusgang te worden gecontroleerd. Er wordt m.a.w. nagegaan of de verkiezingen geldig zijn verlopen, of de uitslag een correcte weergave is van de uitgebrachte stemmen, of de wetgeving inzake de verkiezingsuitgaven is nageleefd, en of de regeringsmededelingen geen verkapte propagandaboodschappen waren.

In ons land gebeurt die controle vreemd genoeg door het parlement zelf. Het is het parlement dat zich uitspreekt over de geldigheid van de kiesverrichtingen. Bezwaren dienen overgemaakt aan de griffier van het betrokken parlement. Het is ook het parlement dat de geloofsbrieven (documenten waaruit blijkt dat de volksvertegenwoordigers voldoen aan de voorwaarden om te kunnen worden verkozen) onderzoekt en geschillen beslist. Het is het parlement, of een door hem bij decreet aangewezen orgaan, dat de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen, en alle voor het publiek bestemde mededelingen en voorlichtingscampagnes van de regering en parlementsvoorzitter controleert.

Het is alsof de belastingbetaler zelf zijn belastingbrief zou controleren. Geen garantie op zekerheid en eerlijkheid dus. In tal van andere landen gebeurt dit door een Grondwettelijk Hof. Ook in ons land zou het Hof deze rol kunnen vervullen. Vandaag kan het Hof zich enkel uitspreken over de grondwettelijkheid van de Kieswet, maar niet over de grondwettelijkheid van het verloop van de verkiezingen.

 

15. Eerlijker samenstelling en financiering fracties

Na de verkiezingen wordt het parlement geïnstalleerd. Bij die installatie (dus bij de aanvang van de legislatuur) worden ook de fracties samengesteld. In het Vlaams Parlement zijn er twee soorten fracties: een technische fractie en een erkende fractie.

Voor een technische fractie heb je drie leden nodig. Een dergelijke fractie heeft toegang tot het Bureau van het parlement dat de werkzaamheden regelt (en hierdoor een extra medewerker en portvrije omslagen), en heeft stemrecht in de commissies.

Interessanter is evenwel de erkende fractie. Die bestaat uit minstens vijf leden en heeft recht op een secretariaat, wat neerkomt op extra financiering en personeel. De erkende fracties krijgen een voltijdse fractiesecretaris, een voltijdse wetenschappelijk medewerker en een voltijdse administratief medewerker. Per drie fractieleden hebben de fracties bovendien recht op een voltijdse wetenschappelijk medewerker. Eén of twee extra fractieleden geven recht op één halftijdse wetenschappelijk medewerker extra. Per 20 fractieleden hebben de politieke fracties recht op een voltijdse administratief medewerker extra bij de fractie. Niet-erkende fracties met drie of vier leden hebben enkel recht op een voltijdse wetenschappelijk medewerker. Enkel de erkende fracties krijgen zoals gezegd ook een extra financiering, ter waarde van 19.088 euro per jaar per fractielid (te indexeren). De erkende fracties verdelen zo onder elkaar zo'n 3,6 miljoen euro per jaar!

Wie dus geen vijf verkozenen haalt, kan op een pak minder ondersteuning rekenen qua financiering en personeel. Dat is onrechtvaardig, want niet alleen is de ene stem zo minder waard dan de andere, ook het ene parlementslid is kennelijk minder waard dan het andere. De grote partijen vergroten hun slagkracht. De kleine partijen kunnen niet met gelijke wapens aantreden in het halfrond.

Een logischer systeem zou zijn om bij aanvang van de legislatuur een fractievorming mogelijk te maken vanaf één volksvertegenwoordiger (zoals dit bijvoorbeeld in Nederland, maar ook in onze eigenste gemeenteraden ook kan).

 

16. Cumuls onmogelijk maken

Vandaag is een cumul tussen bijvoorbeeld het mandaat van senator en dat van Vlaams volksvertegenwoordiger niet meer mogelijk. Maar wel nog tussen schepen of burgemeester en volksvertegenwoordiger. Daardoor kan er minstens een schijn van belangenvermenging ontstaan. Bovendien is het zeer moeilijk om beide functies qua tijds- en energie-investering optimaal te verrichten. Tot slot remt het ook de vernieuwing inzake politiek personeel af.

Oplossing is een cumulverbod tussen het mandaat van volksvertegenwoordiger en eender welk ander uitvoerend mandaat. Dit houdt geen verbod in om te zetelen in gemeente- of OCMW-raad. Het blijft immers belangrijk dat de gewestelijke parlementen de vinger aan de gemeentelijke pols houden.

 

17. Afschaffen van de politieke macht van de Koning

De monarchie steunt op erfrecht. De bevolking heeft geen enkele impact op de keuze van een Koning. Het is dus abnormaal dat een Koning over politieke macht zou beschikken. Dat is in ons land nochtans wel het geval. Op federaal vlak beschikt de Koning over behoorlijk wat politieke macht. Op regionaal niveau is dat een stuk minder. Maar toch zijn er nog een paar verbeteringen mogelijk.

Zo is het niet nodig dat de Minister-President de eed aflegt in handen van de Koning. Dit zou, net als reeds het geval is voor de andere ministers, in handen van de parlementsvoorzitter kunnen gebeuren.

Ten tweede is ook de eedformule die door de Vlaamse ministers gebruikt wordt, achterhaald. Momenteel is die "Ik zweer getrouwheid aan de Koning en gehoorzaamheid aan de Grondwet en de wetten van het Belgische volk". Dit kan gewijzigd worden in "Ik zweer de Grondwet na te leven".

 

18. Ministers worden in het parlement niet vervangen

Wie lid wordt van de regering, wordt gedurende zijn ministerschap vervangen in het parlement door een opvolger. Wanneer een minister dus om één of andere reden moet aftreden, keert hij terug naar het parlement en is de opvolger parlementslid af. Dit creëert een vorm van afhankelijkheid voor de plaatsvervangers. Het vergroot ook het aantal mandaten voor de meerderheid, en dus ook haar slagkracht en zichtbaarheid.

Beter zou zijn dat wie toetreedt tot een regering gewoon blijft verder zetelen in het parlement. Dat zorgt voor een eerlijker machtsverdeling tussen meerderheid en oppositie, stimuleert de voltallige aanwezigheid van de ministers bij de plenaire zittingen, en realiseert en passant ook een besparing voor de gemeenschap van 1,4 miljoen euro per jaar.