Wetgevingsambtenaren: betere regels aan een lagere prijs

« terug naar overzicht

080309

Tien zware criminelen die met een brede glimlach de gevangenis verlaten. Ze rijden de nacht in en het land uit. Reden: een procedurefout bij het toezicht op de bijzondere opsporingsmethodes (BOM) door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent. Vele mensen voelen zich – begrijpelijk – onmachtig. Naar hun aanvoelen is het onrechtvaardig om een aantal personen, die dat wellicht niet verdienen, vrij te laten omwille van een procedurefout. Kan het anders? Uiteraard. Met wetgevingsambtenaren bijvoorbeeld. Zij maken betere regels aan een lagere prijs.

Je kan procedureregels vervloeken en vinden dat advocaten hiermee bewust de rechtvaardigheid aan de kant schuiven om grof geld te verdienen. Nochtans moeten er wel degelijk gevolgen gekoppeld worden aan procedurefouten, hoe onprettig die gevolgen soms ook zijn. Dat is de prijs die we moeten betalen om ons rechtssysteem rein te houden. Je kan niet alleen voor zware criminelen over de procedurefouten heen stappen. Want met welk gevolg doe je dat? Er ook over stappen voor half-zware criminelen? En hoe kan je verantwoorden dat de rechtsstaat haar eigen regels opzij zou zetten? Met welk gezag kan ze dan later nog haar eigen regels laten handhaven?Nu is er dus die fameuze BOM-wet die moet oordelen of infiltraties en undercoveroperaties volgens het boekje verlopen. Maar het probleem van procedurefouten gaat verder dan enkel de BOM-wet en haar toepassing.

Enkele jaren geleden werden bij huiszoekingen procedurefouten gemaakt. Het verzamelde bewijs werd daarom nietig verklaard. De verdachten moesten bij gebrek aan ander bewijsmateriaal worden vrijgesproken. Ook toen was het argument dat aan procedurefouten niet zo’n verstrekkende gevolgen mocht worden gegeven. Men pleitte ervoor om huiszoekingen die aangetast waren door procedurefouten tóch geldig te verklaren, als ze effectieve bewijzen hebben opgeleverd. Het argument: “het kan toch niet dat criminelen door procedurefouten de dans ontspringen”.Zo is het natuurlijk gemakkelijk. Men laat maar begaan en bekommert zich niet over de wijze waarop huiszoekingen worden uitgevoerd. Dan zit je met drie soorten huiszoekingen: de geldige huiszoekingen, de onregelmatige huiszoekingen die bewijs hebben opgeleverd, en de onregelmatige huiszoekingen die geen bewijs hebben opgeleverd. Grootmoedig zegt men dan van die laatste soort dat ze ongeldig zijn, terwijl de onregelmatige huiszoekingen die bewijs hebben opgeleverd, geldig moeten zijn omwille van het resultaat. Het is duidelijk dat men zich met zo’n “het doel heiligt de middelen”-strategie steeds minder zorgen zal maken over de (correcte) wijze van huiszoekingen. Met dit voorbeeld is duidelijk gemaakt dat procedureregels niet zomaar bestaan, maar wel degelijk bescherming (moeten) bieden aan mensen die soms op zeer vreemde wijze in een gerechtelijk onderzoek worden betrokken.

Maar in het geval van de zogenaamde BOM-wet (wet over de bijzondere opsporingsmethoden) en de daarmee samenhangende procedurefouten ligt het probleem dieper, namelijk bij de kwaliteit van de wetgeving.Vanzelfsprekend gaat de aandacht nu naar het “repareren” van de BOM-wet, maar het is nodig dat er grondiger wordt nagedacht over hoe goede wetten kunnen worden gemaakt.Het is uiteraard de wetgever die de wetten maakt. In praktijk ontstaat wetgeving dikwijls vanuit de regering, waarbij wetgeving op ministeriële kabinetten wordt voorbereid, al dan niet na consultatie van advocatenkantoren. Wie er dan eigenlijk waakt over de kwaliteit van al die wetgeving(svoorstellen), is al veel minder duidelijk. De Afdeling Wetgeving van de Raad van State speelt een zekere rol door de adviezen die ze verleent, maar deze rol wordt uitgehold door de praktijk van de regering om aan de Raad te vragen spoedadviezen binnen een paar dagen af te leveren. Ook de “normale” termijn voor advies van 30 dagen is dikwijls te kort.

Al in het regeerakkoord van 1999 werd het voornemen geuit om aan kwaliteitszorg inzake regelgeving te doen. Kanttekening hierbij: men had toen meer oog voor deregulering dan voor kwaliteitsverbetering. De laatste jaren was deregulering zelfs bijzonder trendy. Door de veelheid aan wetten zou aan kwaliteit worden ingeboet. Terwijl wellicht haastwerk en onvoldoende voorbereiding grotere factoren zijn. Ook het regeerakkoord van 2003 beloofde een evaluatie van geldende wetten. In uitvoering van het regeerakkoord werd de Wet van 25 april 2005 tot oprichting van een Parlementair Comité belast met de wetevaluatie zelfs aangenomen. Maar veel hebben we van dit Comité sindsdien niet meer vernomen. Het Comité spitst zich bovendien toe op evaluatie van bestaande wetgeving. Op zich misschien wel zeer nuttig, maar het biedt geen waarborg voor de kwaliteit van nieuwe wetgeving.

De Sociaal-Liberale Partij (SLP) denkt dat er een radicale omschakeling moet komen in de manier waarop we in dit land wetten maken. Het wetgevende werk van ambtenaren herwaarderen is een eerste stap. Binnen de administratie bestaat er een schat aan – nu veelal miskende – kennis en informatie. Geef die ambtenaren meer ruimte en middelen om wetten voor te bereiden, zodat ze in die fase al meer aandacht aan kwaliteit kunnen schenken. Maar er is meer nodig om de kwaliteit op te schroeven. SLP pleit voor wetgevingsambtenaren met als specifieke taak de opmaak van goede regels. De kost van dergelijke extra-ambtenaren wordt moeiteloos gecompenseerd door inkrimping van kabinetten en door het uitsluiten van de nood aan externe consultatie van (dikwijls dure) advocatenkantoren.Het onfrisse BOM-wet-incident en de onprettige gevolgen hebben zeker voor een shock effect gezorgd. Veel duidelijker kan de nood aan een grondige ingreep toch niet worden geïllustreerd. Alleen door radicaal anders wetten te maken, kan je de kwaliteit van de wetgeving garanderen. Laat het alstublieft bij die tien vrijlatingen blijven.

Lieven Ral,
Voorzitter partijraad Sociaal-Liberale Partij (SLP) en advocaat

« terug naar overzicht